[Onderzoek: Marjo van Oosten; Tekst: Rik van der Werf]

[Sardinië – Sardegna; 4 weken; Mei 2012, fietsvakantie; reisverslag]

Werktitel: bike & beach

 

[aankomst op Alghero airport]

Vaste grond onder de wielen. We fietsen van het vliegveld naar de camping  aan de noordkant van Alghero. Het is al donker aan het worden en het geeft een unheimisch gevoel van rijden in een vreemd gebied, in een vreemd land waar je vooralsnog niets van ziet. We hadden wel alvast de locatie van de camping in de gps gezet. Zo tegen Alghero aan begint het ook nog eens behoorlijk druk met verkeer te worden: voortrazende Italiaanse automobilisten willen ook naar huis en toeteren als ze je voorbij rijden: een nerveuze Italiaanse gewoonte. Gelukkig hebben we verlichting en de tegenwoordigheid van geest om niet naast elkaar te fietsen.

De camping is gemakkelijk te vinden en staat goed aangegeven. We zetten ons tentje op en voelen de eerste regendruppels al neerdalen. Mooie start van de vakantie! Eerst maar eens een pizza en een espressootje.

 

[even voorstellen]

We moeten ons nog wel even voorstellen: Marjo en ik (Rik) zijn al een aantal jaren met elkaar getrouwd en vinden het steeds weer een avontuur om met z’n tweeën fietstochten te ondernemen, en dan nog het liefst met bepakking zodat we alle vrijheid hebben om onze route te bepalen en de tent neer te zetten als het ons uitkomt. Daarbij blijken we het allebei erg prettig te vinden om onderweg een terrasje te pakken, met een cappuccino en een broodje, en eens lekker om ons heen te kijken. En we vullen elkaar op de fiets goed aan: Marjo klimt graag en ìk vind afdalingen geweldig. Tot nu toe hebben we gefietst op Sicilië, in de Pyreneeën, Andalusië en nu is Sardinië aan de beurt.

 

[vlieg en fiets]

We hebben dit vaker zo gedaan: boek een vlucht bij een vliegmaatschappij, als je dit ruim van tevoren doet kun je een voordelige vlucht uitkiezen. De fiets moet ook mee, die kun je als extra bagage boeken en heet dan al naargelang de maatschappij een sportartikel, of “bijzondere bagage”. Om al je fietstassen mee te nemen als één pakket kun je ze in een zgn. flightbag stoppen, dit is een zak van sterke, lichte en scheurvaste stof.

De maatschappijen hebben vergelijkbare richtlijnen: het stuur moet dwars worden gezet, de trappers moeten eraf, de bandjes een beetje leeggelopen, en de fiets ingepakt, in karton of plastic.

Wat heb je dan zoal nodig? Flightbag (google voor de aanbieders), multitool voor je stuur, pedaalsleutel: een 15mm lichte en platte sleutel, bij elke fietsenmaker te koop. En tie-rips (spreek uit: taairips), ik vind het zelf erg praktisch om de losse pedalen onwrikbaar aan mijn bagagedrager te rippen, je moet er dan alleen wel aan denken je kampeermes in je fietstas te stoppen anders krijg je ze er bij aankomst nooit meer af.

Het geeft een erg avontuurlijk gevoel als je alles bij aankomst weer in elkaar hebt gezet, en je volledig bepakt uit de aankomsthal komt fietsen!

 

[strand tour]

Als we wakker worden blijkt het nog steeds te regenen, en we besluiten om de eerste dag maar eens niet te gaan fietsen en het stadje Alghero te gaan bezichtigen. Het blijkt een goede keus. Het is een prachtige stad met wat oude kerken, een oud centrum en leuke winkeltjes. Het is begin Mei en van toerisme merken we nog niet veel. Dat is wel anders als we 1300 km later hier weer terug zijn.

De volgende ochtend is het droog, de zon is intussen weer gaan schijnen en het wordt al aardig warm. We fietsen naar het zuiden. Onmiddellijk worden we in beslag genomen door fantastische vergezichten en elke paar kilometer een uitzicht op zee. En dat uitzicht is elke keer anders! En we zijn verbaasd over zoveel kleur: het rood van de klaprozen, de azuurblauwe zee en het avondrood. Langs de hele route vinden we van die merkwaardige roodgekleurde en bolvormige struiken, het steekt mooi af tegen het blauw van de Middellandse zee. De route gaat naar Bosa, 50 km verderop. Er zitten al lekker wat steile stukjes in de weg, al doende traint men. Eenmaal in Bosa blijkt er wel een camping te zijn, maar die is helaas nu nog niet open. Wel is er een “bikers” hotel waar de beheerder vooral rekent op motorrijdende gasten. We checken in en gaan daarna maar eens naar onze eerste Sardijnse zonsondergang kijken.

Ten zuiden van Bosa ligt het schiereiland Sinis. Hier is het land weer vlak en kom je langs uitgestrekte binnenmeren, en aan zee heb je een speciaal strand met witte groffe zandkorrels. Het ziet er fantastisch uit tegen de azuurblauwe zee . er staan bordjes met de opdracht het zand goed uit je zwembroek te kloppen als je het strand verlaat, want er is niet zoveel van en ze zijn er zuinig op. Nemen we stiekem wat zand mee? Nee, we maken er een foto van en laten het liggen voor alle toeristen die ná ons komen.

Het is Mei en lekker warm. Veel kleding hebben we sowieso niet nodig want ook ’s avonds is het lekker warm. Wel goed dat we extra water mee hebben meegenomen. Eén bidonnetje is nooit genoeg voor de afstand tussen de verschillende pleisterplaatsen, dus ik ben elke keer weer blij met de 1½ liter waterfles die ik als extra aan mijn fietstas gebonden heb. Een paar dagen later komen we aan op de camping  Sciopadroxiú, een absolute aanrader. Deze camping ligt wat hoger tussen de heuvels verborgen, je kunt er je tent onder de bomen zetten en heeft ook nog eens een restaurantje met terras met uitzicht over bergen en zee.

Het is ons plan om langs de kust het hele eiland rond te fietsen: je kunt zo moeilijk de weg kwijtraken, en de meeste campings en agriturismo’s liggen toch aan zee. Daarbij is niets zo lekker als oververhit na een fietstocht in zee te duiken. Elk strand is weer anders: grof zand, fijn zand, roze zand, geel zand, wit zand, kiezels …

(agriturismo = bread-and-breakfast)

Wel is het verstandig om je fietsdagen goed te plannen. Rijd bijvoorbeeld na vier uur ’s middags niet zomaar een camping of agriturismo voorbij want je vind niet snel een volgende.

 

[lunch eten drinken terras]

Een paar dagen later raken we al aardig gewend aan het dagelijkse ritme van inpakken, ontbijten, fietsen, strand. Afwisselend rust en actie. En aan de steile klimmetjes. De conditie neemt toe. Ik vroeg me tevoren af of dit allemaal wel te trainen valt. In Nederland stukken fietsen, aangevuld met spinning lessen? Zoveel mogelijk duinen op en neer? Ik dacht: ik train dáár wel. Het is allemaal niet goed met elkaar te vergelijken, maar basisconditie moet je toch wel hebben, dat wil zeggen, je moet in staat zijn om in een gestaag tempo je volgepakte fiets een paar honderd hoogtemeters op te sleuren.

Het landschap is afwisselend en dat is voor het fietsplezier wel prettig. Na een dag klimmen en dalen is er ook een dag met wat vlakkere stukken; natuur wisselt af met landbouwgebieden, waterplassen met flamingo’s, en je komt nabij de grotere steden ook door stukjes industriegebied. Dit laatste vind je vooral aan de zuidkant bij Cagliari, de hoofdstad van Sardinië. Hier kom je langs wat grotere industrie, de lucht is minder fris en het voelt daardoor een stuk warmer aan. Het verkeer is drukker en gelukkig ligt er langs de doorgaande weg een strookje fietspad. Helaas loopt dit niet helemaal door naar de stad zodat we gedwongen zijn samen met het vrachtverkeer vlak langs de vangrail te fietsen. We zijn daarom blij als we eenmaal in de stad zijn.

Aan de zuid- en de oostkant komen we wat meer dorpjes en stadjes tegen, en daarmee ook meer eetgelegenheden. De plaatsjes geven een Spaanse indruk door de bebouwing, en bij napluizen van de geschiedenis van het eiland komen we dan ook tijden van Spaanse overheersing tegen. Na twee weken zonovergoten fietsdagen zijn we aan de oostkust in Muravera, en hier begint het zowaar te regenen, een goede kans om nu eens niet te kamperen, maar een dagje rust te houden en een bed-and-breakfast te nemen.

Voor archeologen onder de fietsers valt er ook wat te beleven: overal over het eiland verspreid vind je bouwsels uit de prehistorie, de zgn. Nuraghe’s. Op Sardinië liggen er wel 7000. Het zijn van flinke stenen opgetrokken vestingwerken om de toenmalige bewoners te beschermen tegen binnenvallende Phoeniciërs. Het loont de moeite om voor de reis wikipedia eens door te spitten en op reis een van die reisboeken mee te nemen, van de ANWB bijvoorbeeld, of Dominicus. Een absolute aanrader vind ik the Rough Guide, omdat daarin behalve achtergrondinformatie ook veel hotels, café’s en restaurants worden benoemd, maar die is dan wel in ’t Engels.

 

[taal, land, kaarten]

De Sardijnen spreken allemaal onbegrijpelijke dialecten, maar toch ook Italiaans. Als je je daar niet goed in thuis voelt kun je nog Engels proberen, met wat geluk krijg je dan nog iets verstaanbaars terug. En nog iets: Sardinië is qua oppervlakte de helft van Nederland, maar heeft maar een tiende van het aantal inwoners. Behalve in die enkele grotere stad is het verder behoorlijk rustig op de weg, en dat is maar goed ook want de gemotoriseerde Italiaan  is niet bang om het gaspedaal eens flink in te trappen. Aan de kant blijven dus!

We vertrekken vroeg uit Arbatax. Het wordt een van de weinige stukken die niet langs zee gaan, maar een stuk het binnenland in en over een col van 1000m in het Gennargentu nationaal park. Al met al leggen we behoorlijke stukken af zonder auto’s tegen te komen. Het is een prachtig ruig gebergte, buizerds zweven er rond, en we komen wilde varkens tegen. We klimmen redelijk gemakkelijk naar boven. Later zie ik op de gps dat de totale steiging 1423m is, en de top bereiken we pas na 47,5 km, dat valt dus al met al wel mee. We trekken ook onze fleece jasjes aan want het wordt wat fris, zeker als we aan de andere kant van de col weer naar beneden suizen. Over die 1000m naar beneden doen we nog eens 25 km, dat betekent 1 uur en 45 min remmen! Om de handen wat rust te gunnen staan we geregeld stil voor het uitzicht en een foto. Beneden in Cala Gonone is het weer lekker warm en vinden we terrasjes en een mooie camping. ’s Avonds vinden we ook nog eens aardig restaurantje, en dat is maar goed ook: fietsen maakt hongerig.

Wat betreft die gps, het is zo’n wandel- en fiets gps met detailkaartjes en is erg gemakkelijk om te zien waar je bent en om de gereden routes “op te nemen”. Maar niet echt nodig voor deze fietstocht. Met een gewone kaart (1:200.000) lukt het ook. Ik heb de Michelin kaart no.366 meegenomen en daar staat echt alles op. En de campings staan op een vrij verkrijgbare glossy folder die je bij de benzinestations kunt krijgen.

 

[strand tour vervolg]

We gaan verder naar het noorden. Na die bult komen we weer in een vlakker stuk en gaan richting de Maddalena eilanden. We maken onderweg een korte stop in Olbia, een wat grotere stad met wat mooie pleinen en winkels. We merken dat het verschil tussen platteland en de stad groot is, en gaan weer verder. In Palau is een mooie camping, hier zetten we de tent op en de volgende dag laten lekker alles staan voor een dagtocht naar de eilanden. De veerboot gaat naar de “hoofdstad” La Maddalena op het hoofdeiland. Een lekker druk stadje, waar om de haverklap een lading toeristen op de kade wordt uitgespuwd. Even een lekker kopje koffie en op de fiets maar weer. We kunnen via een smalle landbrug naar het naburige eiland Caprera en vinden daar prachtige pijnboombossen met  de lekkere geur van hars en een reeks mooie kleine strandjes, waar je bijna privé kan gaan liggen zonnen. Dat doen we dan ook een uurtje. En we lezen een e-book, de beste uitvinding sinds het fietswiel.

Na Palau fietsen we weer naar het westen. We komen door een uitgestrekt duinen-gebied met naaldbossen. Hier liggen stranden aan enorme langgerekte baaien waar je alleen-zijn tot een kunst kunt verheffen. Kunnen we hierna ooit weer wennen aan de drukte van de randstad? Zijn we al bijna vier weken op pad? Het lijkt nog niet zo lang, maar omdat we geregeld de kaart bestuderen zien we dat we bijna een volledige ronde hebben gemaakt. Maar eerst naar Stintino, volgens de reisgidsen ligt daar het mooiste strand van Europa.

Voordat we daar zijn slaan we een zijweg in naar (jawel!) het strand. Hier komen verschillende bezienswaardigheden samen. In het Stagno (strandmeer) huist een grote witte lepelaar, hier staat beachclub69 (!) en het strand is van een soort fijne ronde kiezel waar je geweldig in kan liggen en waar je geen matje of handdoek nodig hebt. In Stintino kiezen we voor een hotelletje omdat er geen camping voor handen is. Hier vinden we een prachtige laatste “stop”. Het is een gezellig vissersdorpje met een haventje en leuke restaurantjes. Het “bed” was okee, en het “breakfast” kunnen we op het terras aan de kade doen, met uitzicht op zee en de opkomende zon.

Om deze tour af te maken fietsen we ’s morgens eerst eens naar dat mooiste strand, en inderdaad kijken we onze ogen uit, ook door de rust van de vroege ochtend: badgasten zijn er nog niet, alleen joggers.

In één dag rijden we door een heuvelachtig landschap terug naar Alghero. Het is onderhand eind Mei en dat merk je: het is een hete dag, dus we slepen weer heel wat water mee. Licht (veel getraind) en toch zwaar (gemoedstoestand) fietsen we langs het Monte Timidone bergmassief naar we begonnen waren, checken weer in op dezelfde camping Mariposa en drinken een koel drankje om de goede afloop te vieren.

Nog een rondje? …

 

[kaarten, boeken]

1.       Radatlas Sardinien (Radtourenbuch und Karte 1:120.000) (Duits) 2009, Verlag Esterbauer GmbH, ISBN 978-3-85000-252-3

2.       Michelin wegenkaart no.366, 1:200.000, ISBN 978-2-06-712728-9