[Napels naar Catania; 3 weken;Mei, Juni 2014, fietsvakantie; reisverslag]
van vulkaan naar vulkaan

De uitdrukking is: Napels zien en dan sterven, de kans is wel groot dat je sneuvelt door het Napolitaanse verkeer. Hier zijn we als Nederlandse fietsers niet aan gewend!
Onze reis begint op Schiphol, hier pakken we onze fietsen in en nemen de vlucht naar Napels. De terugreis hadden we al geboekt: over drie weken van Catania, op Sicilië, terug naar Nederland. Als de fietsen op de luchthaven van de band rollen maken we ze weer reisklaar: de trappers moeten er weer op, het stuur kan weer rechtgezet. We hangen de tassen eraan en fietsen van het vliegveld af zó de stad in. Van de relatieve rust van de aankomsthal rijden we het hectische Italiaanse verkeer in. Wegmarkeringen? Die zijn er niet; gescheiden rijbanen? Nooit van gehoord! Mijn gps kan nog even niet de juiste locatie vinden, we hebben geen stratenplan en diverse Italianen wijzen ons in diverse richtingen. Uiteindelijk vinden we onze weg naar de eerste camping, net buiten de stad.
Wat later in de middag rijden we Camping Solfatara binnen door een prachtige oude toegangspoort. De campingbeheerder komt ons tegemoet en wijst een mooi plekje voor de tent. We blijken nu in een actieve vulkaankrater te staan! We maken een wandelingetje door de krater en een eindje verderop komen zwaveldampen uit de bodem. Het weer zit helaas niet mee, ik heb geen zin om nu mijn kooktoestelletje uit te pakken. Gelukkig zit hier vlakbij Il Diavolo dei Polli, de kippenduivel. De kippenpoten smaken inderdaad of ze in de hel zijn bereid: heet en lekker.

Het weer is ondertussen opgeklaard. Het is zondag. Hardlopers en fietsers doen hun oefenrondje op de boulevard van Napels. Het is een gezellige drukte. De boulevard is voor ons een mooie weg richting de Vesuvius. Verderop wordt het drukker en ook het autoverkeer is blijkbaar weer op gang gekomen. Tussen Napels en Pompeï zijn de wegen geplaveid met een soort grote zwarte, onregelmatige tegels en keien. Voor bepakte fietsers is dit verschrikkelijk: alles hobbelt, je valt in kuilen en de schrik voor onze spaken zit er goed in. Als dat maar goed gaat.

Bij aankomst in Pompeï blijken alle spaken er nog in te zitten. Zoals te verwachten viel barst het hier van de toeristen, we gaan achter de volgepakte bussen aan en vinden direct tegenover de opgravingen camping Spartacus. Later in de middag zijn de meeste toeristen weer weg en kunnen we lekker relaxed door de opgegraven stad wandelen, de avondzon laat het silhouet van de vulkaan zien die dit alles heeft veroorzaakt en het geeft een heel mooi en indrukwekkend beeld van de oudheid.

We blijven een dagje over voor de Vesuvius. We laten de bagage achter op de camping en dat is maar goed ook: de klim naar de eerste “stop” is geweldig steil. Eerst fietsen we door een paar dorpjes en door een bos, halverwege kunnen we niet verder: de weg naar de krater is alleen toegestaan voor een soort vier-wielaangedreven terreinbussen. Als we plaats hebben genomen weten we ook waarom: de weg is per fiets of lopend bijna onbegaanbaar. Eenmaal boven nemen we een kijkje in de rokende krater en genieten van het weidse uitzicht over land en zee.

Sorrento ligt tegen een berghelling aan, de weg erheen is prachtig. De kronkelige weg langs de kust geeft uitzicht over het blauwe water van de Golfo di Napoli waarboven dan weer de Vesuvius uitsteekt. Bij Sorrento de bergrug over en we zijn aan de Amalfikust. Hier moeten we echt aan de slag: stevige hellingen en afdalingen gaan behoorlijk in de benen zitten. Gelukkig mogen we van onszelf geregeld even rusten, deze Amalfi kust staat bekend als een van mooiste kusten ter wereld en daar mogen we best even van genieten.

Bij Praiano kiezen we voor een eenvoudig hotelletje aan een kleine baai: dit blijkt een aanrader: goede slaapkamer, mooi uitzicht over zee en vlakbij een leuk restaurantje met lekker eten!

We verlaten de Amalfikust. Na Salerno volgen we een lange, saaie route langs de kust tot aan Paestum, waar de Grieken 2600 jaar geleden een paar flinke tempels hebben neergezet. Die zijn ook vanaf de weg te bewonderen: een indrukwekkend gezicht. De camping is vlakbij.

Van Salerno tot Tropea is het gebied een stuk minder toeristisch. Dat merk je bijvoorbeeld aan de campings. Er zijn er niet zoveel, en dan voornamelijk bevolkt door lokale Italianen. ’s Avonds is er op die campings een gezellige sfeer, het is er druk en overal wordt gekookt en gebakken. En er veel interesse naar onze reis, waar we vandaan komen en wat we hier komen doen.

Tropea is een van de mooiere plaatsen. Het ligt op een klif een stuk boven zee, heeft veel oude straatjes en winkeltjes en je kunt er lekker eten. Op de camping biedt een Italiaan een paar zelf gevangen zeebaarzen aan, erg aardig maar toch slaan we over: de vis heeft iets te lang in het zonnetje gelegen. In een piepklein winkeltje verkoopt een oude vrouw wijn uit de streek, voor een eurootje of wat krijgen we een frisdrankfles vol met lokale rode wijn. Op de markt kopen we een kip en op de camping eten we ’s avonds coq au vin met uitzicht op de ondergaande zon en in de verte de Stromboli.

De volgende dag vertrekken we al vroeg, en dat is maar goed ook. Het wordt een warme dag en we klimmen binnen vanaf zeeniveau al vrij snel naar 600m. Hierna volgt een lange rustige afdaling. In de verte voorbij Scilla zien we Sicilië opdoemen. De loomheid van de subtropen maakt zich van ons meester. Ook het Odysseus verhaal moeten we even verwerken: als we toch tussen Scylla en Charibdis moeten kiezen, dan maar per veerboot.

De overtocht per boot naar Messina kost een paar euro, en we zijn zó aan de overkant. Messina blijkt een levendige stad met mooie oude straten, een goede plek om even van koffie en gebak te genieten. We fietsen een flink stuk over de kustweg richting zuiden. Het is een redelijk relaxed stuik met wat kleine klimmetjes, al vrij snel naderen we camping Paradise. De Etna is een gigantische vulkaan, een stuk groter dan de Vesuvius, en steekt ’s avonds al mooi af tegen de hemel.

Onze retourvlucht vertrekt vanaf Catania, maar we hebben nog wat dagen over en dat is maar goed ook. We fietsen door naar Avola met haar zeshoekige stratenplan. Hier nemen we nog een extra dag voor het antieke dorpje Noto en de kloof Cavagrande: eerst een stuk omhoog fietsen door heuvels en landerijen, we kunnen de fiets stallen bij een cafeetje en dalen te voet af in een diep rivierdal. Een wild stromende rivier heeft hierkolken en plassen uitgesleten waar we heerlijk onze fietsbenen in het water kunnen leggen. We reizen morgen af van het vliegveld van Catania. Morgen ..